Theo J. van der Wal

1910 - 1984

 

Biografie

 

terug naar startpagina

 

 

 

Zelfportret 1938

 

 

Thee Jacob van der Wal werd als tweede zoon van een Friese douanebeamte en Friese moeder op 14 september 1910 in Maastricht geboren. Later verhuisde het gezin naar Woerden, waar hij een deel van de lagere school doorliep. Over zijn jeugd in Woerden gaat de vertelling Geen zondag meer.

'... Als de torenklokken uitgeluid waren en onze bazaarpendule tien uur had aangewezen hadden we ons allemaal verkleed, Vader, Moeder, mijn broertje, en ik. Het was zondag en dan gingen we wandelen. Vader voorop, in een donker blauw jasje, een lichter blauwe pantalon, een grijs vest met heel veel kleine knoopjes, grijze sokken en zwarte schoenen. Op zijn hoofd een gleufhoed van echt vilt. En hij had een wandelstok met een zilveren knop. Moeder naast hem, in een lange japon met veel plooien om de heupen, glinsterend in groen en violet als zijde. Ze droeg ook een hoed met boven op gekke dingen die me altijd een beetje bang maakten omdat ik niet goed wist wat het allemaal was. Ik dacht aan vleermuizen die daar gestorven waren. Broertje en ik waren gelijk gekleed, heel eenvoudig in een lange broek, een overhemd en das. Smetteloos en angstaanjagend, voor mij dan. Ik durfde mijn handen niet in mijn zakken te steken en zeker niet iets op te rapen. ...'

Nog later verhuisde de familie naar Amsterdam waar de hogere klassen van de lagere school en  de H.B.S werden doorlopen. Veel later vanaf 1948 studeerde hij aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam (Letteren en Wijsbegeerte, vak Psychologie met als gekozen bijvak Prae-historie bij Prof. Van Giffen). Hij beoefende, zoals hij zelf zegt, vele beroepen, zie zijn novelle Hun oog is vlak (o.a.in de bundel 'De Tijger en andere verhalen'. In deze novelle somt hij de volgende beroepen op: 

'Ik was ambtenaar. Toen duvelstoejager op een drukkerij, turfsteker, bankbediende, colporteur, organisator voor een liefdadigheidsbeweging, verslaggever, gerechtsklerk, schilder van kitschplaten, bohémien.

Blijkens een autografie achterin het blad Ruwe Diamant (1934) zegt de auteur het volgende over zijn jongelingsjaren:

 'Het lot dreef mij op 16-jarige leeftijd in de handen van de bureaucratie, gezeteld in het belastingkantoor te Amsterdam, doch datzelfde lot gooide mij er weer uit op 19-jarige leeftijd. Daar tussendoor dichtte ik heuse verzen (over liefde en rozen) ... Na de korte ambtenaarlijke loopbaan beleefde ik enkele wilde jaren in verschillende landen, probeerde te schrijven, publiceerde enige korte verhalen, en andere dingen, trachtte mij in onderscheidene vakken te bekwamen, doch zelfs twee jaren journalistiek slaagden er niet in iets dergelijks uit mij te doen te voorschijn komen. ...

Zijn eerste boek, de novelle Ambtenaren gaat over zijn tijd bij de belastingen. Al op 19-jarige leeftijd had hij reeds een column onder de kop 'Een kort verhaal' (zie de bibliografie). In dezelfde tijd publiceerde hij in de Waterlander zijn schetsen over Waterland. Als verslaggever versloeg hij sportwedstrijden en maakte rechtbankverslagen. Maar ook hier volgde na enige tijd ontslag. Naar hij vertelde, waren de Purmerender veeboeren verbolgen op de krant (de verslaggever) omdat hun duistere streken openbaar werden gemaakt. Het kostte de krant te veel lezers.

De auteur maakte daarna reizen o.a. naar Duitsland en eind 1933 samen met Wolfgang Cordan (pseudoniem van Heinz Horn) naar Frankrijk, in Marseille eindigde deze reis wegens geldgebrek. Deze reiservaringen werden later gebruikt o.a. in de roman 'Het spel in de schaduw'. Deze roman is tot nu toe niet in druk verschenen. 

In De geur van lood verhaalt Theo J. van der Wal over zijn tijd op de drukkerij.  

'Dat de baas mij aanhield als mislukte drukker-zetter was te danken aan twee van mijn kwaliteiten: ten eerste kon ik goed de vloer schoonvegen en pakjes maken van te verzenden drukwerk; ten tweede beheerste ik de Nederlandse taal en was als corrector in ieder geval bruikbaar.

Ik spreek dan nog niet van de diepgaande gesprekken die wij, de baas, de machinezetter en ik, hielden over Nietze, Proudhon, Bakoenin, Kropotkin, Domela Nieuwenhuis en dergelijke jongens.

Na een half jaar werd ik er uitgegooid door de vrouw van de baas, een griezelig, roodharig wezen, dat mij mijn tientje niet gunde. Goed, zo'n bedrag was in die tijd echt veel geld en dat geef je niet uit aan filosofische diepzinnigheden.'

In 1939 trouwde hij Sophia Bakker, ze gingen in Bergen (N.H.) wonen. Een jaar later brak de oorlog uit of zoal hij zelf schreef in De geur van het lood

'De oorlog stortte zich over mijn activiteiten uit, welke activiteiten bestonden uit wachten op betere tijden.' Een van zijn activiteiten was het geven van cursussen in de grafologie. Hij werd in 1943 samen met een aantal andere jonge schrijvers gearresteerd wegens het publiceren van een verhaal in het illegale blad De Lichting. Deze gebeurtenis is in een groot aantal verhalen terug te vinden (zie ook Piet Calis, Het ondergronds verwachten). Na de oorlog komt alle in de oorlogsjaren opgekropte energie vrij: zijn boek De mens en zijn Handschrift, zijn essay Over poëzie en de gedichten der jongeren, alsmede zijn novelle De Haat verschijnen alle in 1945. 

Zijn roman Yagé wordt heruitgegeven in de Nimmer Dralend Reeks van Nijgh en Van Ditmar (1951). In De Tijger en andere verhalen (1952) schrijft de auteur: 

'ik heb altijd willen schrijven, een roman, waarin de strijd geschilderd staat van de enkeling tegen de gemeenschap, van het individu tegen het bovenindividuele, van het concrete tegen het abstracte.'

Maar het schrijven van romans en verhalenbundels leverde niet genoeg op om zijn gezin te kunnen onderhouden. Hij verzorgde voor de Volkskrant een wekelijkse puzzelrubriek. De puzzels werden door de Bergense kunstschilder Jaap Min geïllustreerd. Deze puzzels werden later door Het Spectrum in een boekje bijeengebracht (Prisma 111). 

Hij werd personeelschef bij een chocoladefabriek in Alkmaar. Hij begon in deze tijd met grote hartstocht te fotograferen. In het bijzonder trok hem het portret. In 1956 had hij samen met Lucebert (die evenals hij een enthousiast fotograaf was) een expositie van hun foto's. Daarnaast is hij ook gaan filmen (o.a. Peter Bes en de jantjes).  Na de tijd op de chocoladefabriek werd hij personeelschef bij een ziekenhuis in Amsterdam. Tegelijkertijd werkte hij ook voor de industrie als grafoloog. Gelukkig was hij hier niet mee: 'Ik heb mijn ziel verkocht aan het kapitalisme', zei hij vaak. 

Sinds 1961 tot aan zijn dood adviseerde en lectoreerde hij voor de uitgeverij van zijn zoon Eric van der Wal; vijfenzeventig uitgaven zijn onder zijn literair bewind verschenen (voor meer informatie: klik hier). 

Schrijven was zijn passie. In een interview in de Alkmaarsche Courant (11-9-1970) zei hij: 'Mijn enige grote aandrift is schrijven'.

In Schrijversalmanak 1955 zei hij het zo:

'Zijn diepste verlangen gaat uit naar het schrijven van verhalen en naar een vlekkeloos blauwe hemel met temperaturen van 26 tot 30 graden Celsius. Bij somber en/of koud weer is hij een verbitterd mens die steeds grübelt over het waarom der dingen. Hij schrijft alleen op warme, zonnige dagen, vandaar dat hij niet zoveel schrijft en vandaar dat zijn verhalen vaak zo kort zijn !'

In het voorjaar van 1984 werd hij ernstig ziek en stierf op 24 juli 1984 op 73-jarige leeftijd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contactadres:

 

 

 

 

25 november 2017